Webzines



Nieuwsbrief van mei 2009

Gezinsuitgaven en preciseringen in het kader van indiciaire taxatie

Bij een taxatie op basis van tekenen en indiciën wordt nagegaan of de inkomsten van de belastingplichtige voldoende groot zijn om reële en vermoede uitgaven te financieren.

Een vaak toegepaste werkwijze van de administratie is, zonder enige motivering of bewijsvoering, te veronderstellen dat een vermogenstekort het gevolg is van niet -aangegeven (beroeps)inkomen. Vaak staan we voor een cascade van feitelijke vermoedens. Wordt willekeurigheid van de ambtshalve aanslag vastgesteld, dan zal dit leiden tot de nietigheid van de aanslag.

Gelukkig is het nog steeds aan de belastingadministratie om een indiciair tekort aan te tonen of het bewijs te leveren dat indiciaire inkomsten uit een welbepaalde categorie van inkomsten voortkomen. De belastingplichtige kan dan aan de hand van positieve en controleerbare gegevens aantonen dat de uitgaven met een andere categorie van, eventueel niet belastbare, inkomsten (gokwinsten, beleggingen…) werden gedaan.

Hoe dient de administratie de gezinsuitgaven te evalueren?

Soms wordt in de rechtspraak verwezen naar de referentiebedragen inzake terugbetaling die het OCMW vordert van schuldenaars van onderhoudsgelden. Dit lijkt niet terecht aangezien het levensminimum lager ligt en het OCMW rekening houdt met de inkomsten van de onderhoudsplichtige en niet met het levensminimum. Verwijzingen naar de sociale wetgeving dragen evenmin de voorkeur. Sommige rechtsleer meent dat rekening dient te worden gehouden met de belastingvrije som in de personenbelasting.

In elk geval is iedere vage en onnauwkeurige benadering uitgesloten, evenals een opeenstapeling van vermoedens. De gezinsuitgaven moeten dus met concrete elementen met betrekking tot de feitelijke en persoonlijke situatie van de belastingplichtige worden gestaafd. Deze laatste kan dan eventueel aantonen dat andere personen (een deel van) de gezinskosten voor hun rekening nemen, dat zij een bescheiden levenswijze hebben (aankopen in goedkope warenhuizen, geen luxeaankopen, lage huurprijs), besparen op allerlei uitgaven (eigen moestuin, dieren, zelf maken van kledij…).


Voor fiscaal advies, contacteer ons accountantskantoor.



Aansprakelijkheid bestuurders en zaakvoerders voor achterstallige RSZ, BTW en bedrijfsvoorheffing

Sinds 2006 kunnen bestuurders die belast zijn met de dagelijkse leiding van vennootschappen en grote VZW’s hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de laattijdige betaling of het gebrek aan betaling door de vennootschap van RSZ, bedrijfsvoorheffing en BTW.

Kan dit zomaar?

Er moet sprake zijn van een fout in hoofde van de bestuurder om hem aansprakelijk te kunnen stellen. Dit kan bijvoorbeeld zijn het achterwege laten van bepaalde inkomsten om BTW te ontduiken. Het is aan de fiscus om de fout te bewijzen, maar deze wordt daarin bijgestaan door een vermoeden van fout bij herhaalde niet-betaling. Bij stelselmatige niet- of laattijdige betaling is het aan de bestuurder om te bewijzen dat hem geen fout treft.

Men spreekt van herhaalde niet-betaling indien in de periode van een jaar ten minste twee (kwartaalaangevers) of drie (maandaangevers) vervallen schulden niet betaald werden. Indien de niet-betaling het gevolg is van financiële moeilijkheden die aanleiding hebben gegeven tot het openen van een procedure van gerechtelijk akkoord, faillissement of gerechtelijke ontbinding, speelt het vermoeden niet.

De procedure is als volgt. De aansprakelijke bestuurder wordt door de ontvanger per aangetekend schrijven uitgenodigd zijn situatie te regulariseren binnen de maand of aan te tonen dat hem geen fout treft. Gebeurt dit niet, dan kan de fiscus naar de rechter stappen die zal beslissen of er al dan niet sprake is van een fout. Binnen de wachttermijn van één maand kan de fiscus echter wel bewarende maatregelen treffen ten laste van het privé-vermogen van de bestuurder.

De hoofdelijke aansprakelijkheid inzake RSZ kan worden ingeroepen wanneer in de periode van een jaar twee opeisbare kwartalen niet werden betaald en hiervoor geen aanzuiveringregeling werd opgesteld die stipt wordt nageleefd en ook wanneer de RSZ de gevraagde gegevens niet ontving. Hier is dus geen fout vereist in hoofde van de bestuurder belast met het dagelijks bestuur. Het loutere feit van het bestaan van achterstallen en het niet of onjuist verstrekken van informatie is voldoende. Wenst men de aansprakelijkheid uit te breiden naar andere bestuurders, dan dient wel een fout in hun hoofde te worden aangetoond. Wat betreft de communicatieplicht viseert men het meedelen van nog openstaande bedragen van klanten en derden, duidelijk met het oog op beslag onder derden.

In geval van faillissement komt de aansprakelijkheid van bestuurders inzake RSZ in het gedrang wanneer hen een grove fout kan worden verweten die aan de basis ligt van het faillissement of wanneer zij in een periode van 5 jaar voor de faillietverklaring al betrokken waren bij twee of meer faillissementen.


Voor fiscaal advies, contacteer ons accountantskantoor.



Lijfrente in uw vennootschap

Een lijfrente kan een contract zijn tussen uzelf en uw vennootschap. U geeft iets aan uw vennootschap en in ruil krijgt u een maandelijkse som in verhouding met de inbreng en uw leeftijd. De uitkering van een lijfrente kan beginnen wanneer u het wenst: bijvoorbeeld onmiddellijk na de inbreng of vanaf uw 60ste verjaardag. Het genot is voor de rest van uw leven.

De belastingdruk is relatief laag, namelijk 15% belastingen op 3% van het vestigingskapitaal. Een sinds lang gekende mogelijkheid bestaat erin om via een verzekeringscontract gelinkt aan uw groepsverzekering te werken. Door de verbetering van de medische wetenschap en de lage belastingdruk, zijn er zeker mogelijkheden die te gebruiken zijn. De wettelijke sterftetafels zijn immers duidelijk in het voordeel van de belastingplichtige. Hoe langer wij leven, hoe voordeliger het systeem werkt voor de natuurlijke persoon (ten nadele van de verzekeringsmaatschappij of uw eigen vennootschap). Meer kosten in uw vennootschap betekent echter ook minder belastingen voor uw vennootschap.

Tegenover uw eigen vennootschap kan u de waarde van uw lijfrente afkopen. Indien u niet meer actief bent in de vennootschap, is dit soms wenselijk. De mogelijkheid tot afkoop voorziet u best in het contract.

Er zijn talrijke situaties die mogelijk gekoppeld kunnen worden aan een lijfrente: vruchtgebruik in activa, successieplanning. Dit is te analyseren, geval per geval, om een overeenkomst op te stellen die goed aansluit bij uw leeftijd, uw patrimonium en de successieplanning.


Voor fiscaal advies, contacteer ons accountantskantoor.



Wenst U onze gratis infobrochure of raad over uw boekhouding, een vraag over fiscaliteit of de oriëntatie van uw onderneming, contacteer uw belastingconsulent





Volgend nummer:

- Festivals en BTW

- Neerlegging jaarrekening en toepasselijke tarieven en sancties

- Betrouwbaarheid van de boekhouding: aandachtpunten bij het inboeken van facturen




Alain Cludts

Accountant

02/460.68.91

© CLUDTS. All rights reserved. Produced by Cludts