Webzines

Newsletter may 2006

Uw balans positief voorstellen: de herwaarderingsmeerwaarde

Vennootschappen hebben de mogelijkheid, maar nooit de plicht, om activa te herwaarderen. Niet alle activa komen echter in aanmerking om te worden geherwaardeerd. Alleen materieel vaste activa, deelnemingen en aandelen die onder de financieel activa vallen, komen hiervoor in aanmerking. Waardering van voorraden aan een hogere waarde dan de aanschaffingswaarde is dus uitgesloten.

Herwaardering is ook niet altijd mogelijk, ze zal steeds moeten verantwoord worden door de rendabiliteit van de onderneming. Een verlieslatende vennootschap, met onvoldoende rendabiliteit mag dus haar activa niet herwaarderen. Ook het bedrag op de passiefrekening ‘Herwaarderingsmeerwaarden’ (eigen vermogen) mag niet worden opgeblazen. Men moet immers rekening houden met de belastingen die zullen moeten betaald worden bij effectieve realisatie van de meerwaarde.

De beslissing tot herwaardering wordt genomen door het bestuursorgaan en een verplichting om een beroep te doen op een extern accountant of bedrijfsrevisor bestaat niet. Het kan echter soms wel nuttig zijn om in de toelichting bij de jaarrekening waarin de herwaardering wordt verantwoord, te kunnen verwijzen naar een externe schatting door een accountant.

De afschrijvingen gebeuren voortaan op de geherwaardeerde waarde en in voorkomend geval moet een nieuwe gebruiksduur worden vastgesteld. Er wordt dus niet afgeschreven op enerzijds de aanschaffingswaarde en anderzijds de herwaardering.

Zolang de goederen niet worden gerealiseerd, blijft de geboekte meerwaarde in principe op de 12-rekening behouden. Toch is het mogelijk om een overboeking te doen naar de (beschikbare) reserves ten belope van de op de meerwaarde geboekte afschrijving, de herwaardering om te zetten in kapitaal of af te boeken tot beloop van het nog niet afgeschreven deel van de meerwaarde bij een latere minderwaarde.

Uitgedrukte, niet-gerealiseerde, herwaarderingsmeerwaarden zijn niet belastbaar zodat ook de afschrijvingen en eventuele minderwaarden bovenop de aanschaffingswaarde geen fiscaal aftrekbare beroepskost zijn.

Na deze boekhoudkundige verrichtingen en volledig legaal zal uw balans er heel wat positiever uitzien naar banken toe zonder daarvoor belastingen te moeten betalen.



De fiscale spelregels betreffende terreinwagens

De laatste jaren heeft de fiscale behandeling van de terreinwagens heel wat inkt laten vloeien. Door de Programmawet van 27 december 2005 werd uiteindelijk een echte fiscale definitie van het begrip “lichte vrachtauto” ingevoerd.

Om nog als lichte vrachtauto beschouwd te kunnen worden, moet de wagen met maximaal toegelaten massa van 3.500 kg beantwoorden aan één van de volgende vier types van wagen:

a) wagen voor goederenvervoer met volledig van de laadruimte afgescheiden enkele cabine (maximum twee plaatsen, bestuurdersplaats niet inbegrepen) en open laadbak

b) wagen voor goederenvervoer met volledig van de laadruimte afgescheiden dubbele cabine (maximum zes plaatsen, bestuurdersplaats niet inbegrepen) en open laadbak

c) wagen voor goederenvervoer bestaande uit passagiersruimte (maximum twee plaatsen, bestuurdersplaats niet inbegrepen) en afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de afscheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50% dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet over de hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde horizontale laadvloer zonder verankeringplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels.

d) wagen voor goederenvervoer bestaande uit passagiersruimte (maximum zes plaatsen, bestuurdersplaats niet inbegrepen) en volledig afgesloten laadruimte waarvan de afstand tussen elk punt van de afscheidingswand achter de zitplaatsen en de binnenkant van de achterzijde van de laadruimte, gemeten in de langsrichting, op een hoogte van 20 cm boven de vloer, steeds minstens 50% dient te bedragen van de lengte van de wielbasis. De laadruimte moet over de hele oppervlakte bestaan uit een van het koetswerk deel uitmakende, vaste of duurzaam bevestigde horizontale laadvloer zonder verankeringplaatsen voor bijkomende banken, zetels of veiligheidsgordels.


De voertuigen onder a) en b) betreffen de wagens van het type “pick-up”, deze onder c) en d) betreffen wagens van het type “bestelwagen”.

Ook om de BTW-aftrek op lichte vrachtwagens te regelen, moet men teruggrijpen naar voormelde definities. Voor het overige geldt een algemene aftrekbeperking met uitzondering van een aantal type voertuigen.

De discussie die bestond omtrent de aftrekbaarheid van BTW op vervangwagens wordt voortaan ook in de wet geregeld. Voortaan kunnen enkel nog ondernemingen wiens economische activiteit erin bestaat voertuigen ter beschikking te stellen van om het even wie en hier ook algemeen om bekend zijn, van een volledige aftrek genieten. Garagisten die enkel een vervangwagen ter beschikking stellen van hun cliënteel, vallen onder de aftrekbeperking. Vraag is wel of deze wetswijziging geen invoering betreft van een nieuwe aftrekbeperking en of deze de toets aan de Europese wetgeving kan doorstaan. Wordt ongetwijfeld vervolgd…



Creatief omspringen met groepsverzekeringen

Groepsverzekeringen en individuele pensioentoezeggingen zijn fiscaal interessante manieren om een extralegaal pensioen tot stand te brengen, maar er is meer dan dat…

Het is immers mogelijk om de opgebouwde reserves voor de pensionering of het einde van het contract reeds liquide te maken om en onroerend goed in België te verwerven of verbeteren. De modaliteiten verschillen van verzekeraar tot verzekeraar, de juiste keuze van de verzekeraar wordt dus des te belangrijker.

Het principe is eenvoudig: de verzekeraar stelt een voorschot op uw pensioenkapitaal ter beschikking onder de vorm van een lening (meestal beperkt tot 50% à 70% van de opgebouwde reserves) dat u terugbetaalt met de uitkering van het kapitaal. Op het ontleende bedrag betaalt u alleen intresten die bovendien aftrekbaar zijn van uw onroerend inkomen. De intresten liggen meestal wel hoger dan bij een hypothecaire lening maar anderzijds worden de hypotheekkosten wel uitgespaard. Aan de groepsverzekering zelf wordt niet geraakt, deze blijft dus rente en winstdeelname opbrengen, en de premies worden gewoon doorbetaald.

Men kan er echter ook voor kiezen geen intrest te betalen. In dat geval zal ook geen rente en winstdeelname worden berekend op de reserves. Of het kapitaal op de lening kan worden afgelost zodat het volledig pensioenkapitaal wordt behouden en er minder intresten moeten betaald worden. Eventueel zou het zelfs kunnen om een bedrag te lenen op basis van de nog te betalen premies maar dan zal wel een hypotheek als waarborg dienen afgesloten te worden. Tenslotte, en dit is relatief nieuw, zou men een voorschot kunnen krijgen zonder intrestbetaling. De intrest wordt dan gekapitaliseerd zodat de schuld toeneemt en met de uitkering van het pensioenkapitaal worden zowel de lening als de gekapitaliseerde intresten terugbetaald.

U zou ook de reserves van de groepsverzekering als waarborg of overlijdensdekking van een hypothecaire lening kunnen gebruiken. Indien de bank dit niet moet aanspreken, blijft uw pensioenkapitaal overeind.

Het kan dus zeer interessant zijn om bij de keuze van een groepsverzekering ook even naar deze bijkomende mogelijkheden te informeren. Zeker indien u nog van plan bent onroerende goederen aan te kopen.


Wenst U onze gratis infobrochure of raad over uw boekhouding, een vraag over fiscaliteit of de oriëntatie van uw onderneming, contacteer ons.klik hier



Volgend nummer :


- Een bijkomende voorzorg bij aankoop van vruchtgebruik

- BTW op promotiefeesten: een stap verder

- Belangrijke verplichtingen voor verlieslatende ondernemingen


Alain Cludts

Accountant

02/460.68.91


© CLUDTS. All rights reserved. Produced by Cludts