![]() |
|
|
|
|
![]() |
||
|
Nieuwsbrief van februari 2006 RSZ-vermindering voor de eerste drie werknemers: kan dit ook voor een tweede firma? Bij de aanwerving van een eerste, tweede en derde werknemer kan u een voordelige RSZ-vermindering genieten. Deze bedraagt 1.000 € per kwartaal gedurende 5 kwartalen voor een eerste werknemer en 400 € voor de volgende 8 kwartalen. Bij een tweede werknemer geniet u gedurende 13 kwartalen een vermindering van 400 € en voor een derde werknemer krijgt u 9 kwartalen lang een vermindering van 400 €. Voor deeltijdse werknemers geldt een aangepaste vermindering. De werknemer hoeft hiervoor aan geen enkele voorwaarde te voldoen. Als werkgever moet u wel als ‘nieuwe’ werkgever kwalificeren, m.a.w. nooit of in de laatste 4 kwartalen geen personeel hebben tewerkgesteld. Een nieuw opgerichte vennootschap voor de uitbreiding van uw activiteit zal dus aan deze voorwaarden voldoen, hoewel de RSZ deze nieuwe vennootschap niet als nieuwe werkgever zal beschouwen (zelfde bestuurder, vergelijkbare activiteit, …) maar beide vennootschappen als eenzelfde technische bedrijfseenheid zal aanmerken. Wat kan u hieraan doen? Het komt er op neer aan te tonen dat er een reële meertewerkstelling ontstaat en er dus geen verschuiving is van het personeel van de eerste vennootschap naar de tweede vennootschap. De vergelijking wordt gemaakt met de maximumtewerkstelling van de eerste vennootschap in het jaar voorafgaand aan de aanwervingen. Hier kan de oplossing er eventueel in bestaan dat u, als u van plan bent in de nabije toekomst een nieuwe vennootschap op te richten en er toch in het jaar voorafgaand (tijdelijk) extra krachten nodig zijn in de eerste vennootschap, beroep doet op uitzendkrachten aangezien het uitzendbureau dan als werkgever wordt beschouwd en niet uw eerste vennootschap. Recht van opstal en voordeel van alle aard: waar staan we? Een opstalconstructie geeft uw vennootschap het recht om op uw grond een gebouw op te richten. De vennootschap zal de kosten voor de oprichting afschrijven. Op het einde van de overeenkomst wordt u automatisch eigenaar van het gebouw. Indien u daar echter geen vergoeding voor moet betalen en nog steeds zaakvoerder bent van de vennootschap, zal de fiscus u belasten op een voordeel van alle aard aan de marginale aanslagvoet (tot 50% + gemeentebelasting). Bovendien telt het inkomen mee voor de berekening van uw sociale bijdragen. Uit recente rechtspraak van het Hof van Beroep van Antwerpen (27 september 2005) volgt dat, wanneer u op het einde van een opstalovereenkomst gratis eigenaar wordt van het pand dat door uw vennootschap werd opgericht op uw grond, u niet noodzakelijk op een voordeel van alle aard wordt belast. De feiten die aan de uitspraak ten grondslag lagen, waren als volgt: de vennootschap betaalde een zeer lage vergoeding voor het opstalrecht zodat het gratis verkrijgen door de grondeigenaar niet als abnormaal werd beschouwd en de duur van de opstalovereenkomst was niet abnormaal kort (15 jaar). Voor opstalconstructies is dit dus goed nieuws op voorwaarde dat men er rekening mee houdt dat de duur van de opstalovereenkomst niet te kort is en er (bijna) geen vergoeding wordt betaald door de vennootschap. Inbreng in een eigen holding en meerwaarde op aandelen: goed nieuws vanwege de Minister van Financiën? In antwoord op een parlementaire vraag heeft de Minister van Financiën de voorwaarden gepreciseerd waaraan de inbreng in een eigen holding door een natuurlijk persoon van aandelen die een meerderheids- of controlebelang uitmaken, moet voldoen om geen aanleiding te geven tot een meerwaardebelasting. De administratie is immers van mening dat dergelijke operatie niet meer kadert in het normaal beheer van het privé-vermogen en er dus een belasting kan worden opgelegd op grond van artikel 90,1° WIB 1992 (belastingtarief van 33% plus gemeentebelasting). De voorwaarden zijn de volgende (letterlijke overname uit Vraag 05/657 van de heer Van Campenhout dd. 23/2/2005): 1. gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng wordt geen kapitaalvermindering door de holdingvennootschap doorgevoerd; 2. gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng wordt geen kapitaalvermindering door de werkmaatschappij doorgevoerd, tenzij die middelen door de holdingvennootschap worden gebruikt voor bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen zonder dat deze geldmiddelen mogen doorstromen naar de aandeelhouders natuurlijke personen; 3. gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng wijzigen de dividenduitkeringen door de werkmaatschappij niet ten overstaan van vroeger (dit wil zeggen vóór de inbreng aan de holdingvennootschap). Er mogen toch hogere dividenden worden uitgekeerd indien wordt aangetoond dat de dividenduitkeringen worden gebruikt voor bijvoorbeeld nieuwe investeringen of financiering van andere groepsvennootschappen of verbonden ondernemingen. De hogere dividenduitkeringen mogen echter niet doorvloeien naar de aandeelhouders natuurlijke personen. De hogere dividenden mogen ook worden gebruikt voor de betaling van aandeelhouders die wensen uit te treden voor zover de dividenduitkeringen worden gebruikt voor de terugbetaling van een lening of de aflossing van een rekening-courant die werd aangegaan voor de uitkoop van sommige aandeelhouders. De terugbetaling van de lening of de aflossing van de rekening-courant moet echter wel over een voldoende lange periode worden gespreid; 4. gedurende een periode van drie jaar te rekenen vanaf de inbreng de door de werkmaatschappij betaalde management-fees, bedrijfsleiderbezoldigingen, enzovoort, overeenstemmen met de vroegere bedrijfsleiderbezoldigingen. De geldstroom vanuit de werkmaatschappij naar de holdingvennootschap mag hoger zijn dan de vroegere bedrijfsleiderbezoldigingen indien blijkt dat hier daadwerkelijk prestaties tegenover staan (bijvoorbeeld boekhouding, personeel, ...) die vroeger op het niveau van de werkmaatschappij werden verricht en nu door de holding worden uitgevoerd (eventueel met overdracht van het betrokken personeel) én marktconform worden doorgerekend. Bovenvermelde preciseringen zijn onmiddellijk toepasselijk en kunnen in om het even welke stadium van een hangende procedure worden ingeroepen. Het antwoord van de Minister heeft als voordeel zeer duidelijk te zijn onder welke voorwaarden men een belastingvrije meerwaarde kan realiseren bij inbreng van aandelen. Er wordt tevens bevestigd dat de oprichting van een holding niet noodzakelijk vreemd is aan het normaal beheer van het privé-vermogen. Wenst U een afspraak te maken of raad te krijgen, aarzel niet om mij te contacteren. Volgend nummer : - Kan men nog snel een grote groepsverzekering opbouwen voor men met pensioen gaat? - Hoe kan u een wagen zo goedkoop mogelijk uit de vennootschap halen? - Kan een vruchtgebruikconstructie na de recente rechtspraak nog worden geherkwalificeerd? Alain Cludts Accountant
|
||
| © CLUDTS. All rights reserved. Produced by Cludts |
||